Boeken

Boeken

Het stond vast. Godsdienstwetenschappen zou het worden – een andere optie was er niet. Ze had altijd al een zwak gehad voor mystiek en rituelen, die probeerden om iets van het onzegbare toch uit te drukken. Het trok haar aan, en ze wou meer weten. De antwoorden die de dorpsgemeenschap haar gaf, klonken niet altijd geloofwaardig meer, de antwoorden die schemerden doorheen de klassieken in haar humaniora opleiding, vroegen om meer. Wat is dat toch met het leven?

Haar leven begon pas echt in Leuven, zo voelde het aan. Het werd een openbaring. En de liefde voor de boeken ontvlamde. Ze zou nooit meer doven, die liefde. Af en toe wel op een lager pitje komen te staan, door de omstandigheden van het leven. Je mag het leven nog zoveel uitstippelen als je wilt, “Het verliep anders dan gehoopt, zoals meestal in het leven”. Ward Ruyslinck had het goed gezien. Omstandigheden, gebeurtenissen, negatieve keuzes die uitmondden in een positieve keuze voor informatica en gegevensbescherming, bijkomende studies – ook op haar niet meer zo jonge leeftijd – en zoveel meer verdrongen literatuur naar de achtergrond. Een dag telt ook maar vierentwintig uur, er moet brood op de plank, en slapen, tja, zonder kunnen we niet. Belevenisinformatie moet immers verwerkt. Maar desondanks groeide de bibliotheek geruisloos aan, met boeken die ze las en die ze beslist zeker nog zou lezen, als ze er tijd voor had. Er is zo veel interessants. Boeken waren toen al heilig, en zijn dat nog altijd.

Haar partner had haar er vroeger al op gewezen, de boeken die ze las, waren niet van de boeken die je vlug even tussen de soep en de patatten las. Hoe dat kwam? Heel eenvoudig, het leven/Leven hield en houdt haar nog steeds bezig. Als prille twintiger al las ze boeken zoals Het jaar nul van Dolores Thijs. Ze stelde toen al vragen, zocht antwoorden, en probeerde hierbij te ontdekken hoe mensen van nu en mensen van toen doorheen de jaren/eeuwen een antwoord zochten, en vonden. Of juist niet. Levensverhalen, romans, historische en andere oefenden een onverklaarbare aantrekkingskracht uit. De grote vier van Maria Rosseels zijn niet weg te denken uit haar bibliotheek.[1] Ze speelden een grote rol in haar leven. Een passage uit Wacht niet op de morgen lag zelfs onrechtstreeks mee aan de basis van haar huwelijk – zeg dan nog eens dat boeken geen kracht zouden bezitten. Willy Spillebeen is een certitude, maar evenzeer de boeken van Chris De Stoop, Stefan Hertmans, Amélie Nothomb, Marieke Lucas Rijneveld, Jean M Auel, en zoveel anderen. Een rijk gevarieerde bibliotheek. Ook non-fictie mag zeker niet ontbreken., maar dan vooral werken met een filosofische, theologische of andere menswetenschappelijke invalshoek. “Zie de mens”, het zou een mooie titel zijn voor haar bibliotheek.

De wereldboekendag kwam er aan. Tijd om even stil te staan bij haar internationale klassieker of auteur, vond ze. Maar net zoals bij muziek het geval was, was de keuze minder evident. Ze bekeek het lijstje van de afgelopen jaren. Zelfs daaruit was het moeilijk kiezen. Voor de Classics 1000 kon je drie nummers selecteren. Wel, voor mijn internationale favoriet doe ik het ook, dacht ze. Haar keuze viel o.a. op Menselijke voorwaarden van Junpei Gomikawa, een trilogie over menselijkheid, of het streven ernaar, in Japan, tijdens de jaren van de rauwe oorlog (WO II). Het boek greep haar bij de keel, zodanig zelfs dat het maanden duurde eer ze aan het tweede deel kon en wou beginnen. Gelukkig was Tot in de hemel van Richard Powers een verademing, maar anderzijds toch ook niet zo vrijblijvend. Het boek deed haar in ieder geval anders kijken naar bomen, en mensen. Andermaal ervoer ze de kracht van literatuur. En wat dan te denken van Vos 8. Een furhaal? Georges Saunders was er in geslaagd om in een boekje van amper vijftig pagina’s stil te staan bij traditie, vastgeroeste ideeën, nieuwsgierigheid en een open geest. Grandioos. Het las minder vlot dan verwacht, maar dat was de moeite meer dan waard. Taal is relatief, en tegelijkertijd ook niet.

Waar ze vroeger lijstjes bijhield op papier, heeft ze nu een heus Excel bestand met verschillende categorieën, lange lijsten en prioriteiten. God zou haar een lang, en gezond leven moeten geven, om alles gelezen te krijgen. Ze dacht terug aan de jaren tachtig van vorige eeuw, toen in de krant De Standaard elke dag een deel van een roman werd afgedrukt. Een boekenfeuilleton, en een manier om in contact te komen met verschillende genres van romans en schrijfstijlen. Het was in zo ’n feuilleton dat ze Maria Rosseels op het spoor kwam. Het boekenfeuilleton is al lang in de vergetelheid geraakt. De boekenbijlage van de kranten gelukkig niet. Ondertussen was er ook de boekensite van de VRT www.langzullenwelezen.be. Quoteringen en recensies passeren de revue. Ze stipt daarbij aan wat ze zeker wil lezen. Ook haar job schuift boeken naar de voorgrond. Maar het valt op, de mens staat centraal, in wat voor boeken ze ook leest.

Boeken, ze werken verslavend. Zonder kan ze niet (meer). Welk boek ze nu leest? Foute vraag. Welke boekén ze nu leest. Oké, dat klonk beter. Ze komt aan vijf boeken. Regels voor robots (Katleen Gabriels) is een beetje werk gerelateerd. Daarnaast zorgt ze er voor dat er minstens één poëziebundel per jaar op haar lijstje staat. Dit jaar is dat poëzie van Stefan Hertmans, geselecteerd door Peter Verhelst in het boek Wij waar geen eind aankomt. Ook staat ze geregeld stil bij een gedachte uit de Persoonlijke notities of Overpeinzingen van Marcus Aurelius stil. Tenslotte is ze bezig met twee romans.

Enkele jaren terug had ze het boek De duivenhoudsters (Alice Hoffman) cadeau gekregen. Het stond lange tijd in de kast, maar een lege batterij van haar e-reader deed haar onlangs het boek ter hand nemen. De belegering van Massada door de Romeinen na de val van Jeruzalem en de Joodse tempel in 70 is het decor waar vier vrouwen, elk met hun geheimen, elkaar ontmoetten en “gedwongen” worden samen te leven en te werken in de duivenhokken. Slinkende voorraden en een oprukkende vijand is de context waarin deze vier vrouwen trachten te strijden en te overleven. Een boek met historische inslag over een eigen plek opeisen in een patriarchale samenleving in een wereld vol bedreigingen. Het gaat om mens worden, mens zijn, jezelf mogen zijn, in een niet ideale wereld. De mens ten voeten uit, vindt ze na het lezen van het eerste deel.

Ook het getuigenis van Lale Güls in Ik ga leven vertelt over een opkomen voor zichzelf, worden wie je bent, en de obstakels die dat in de weg staan. Haar stijl is direct en onverbloemd. De strijd die ze beschrijft is ook niet min. Loskomen van de verstikking van wat haar wordt opgelegd, van wat ze “moet” denken, hoe ze “moet” leven. Het loskomen kan bijna niet anders zijn dan een losscheuren. Je voelt de frustratie en de boosheid tijdens het lezen. De traditie is duidelijk geen houvast meer, maar een kooi, een gevangenis. En wat is het belangrijkst? In de pas (moeten) lopen, of buiten de lijntjes (mogen) kleuren. Het komt terug, iedere generatie opnieuw. Soms gaat het vlot, soms is het een strijd. De Prediker uit de Joods-christelijke Bijbel heeft misschien toch gelijk: “Ten slotte heb ik alleen dit gevonden: naar Gods bedoeling is het leven eenvoudig, maar de mens haalt zich van alles in het hoofd.” (Prediker 7, 29) De mens ten voeten uit. Geen wonder dat de geschiedenis zich telkens opnieuw herhaalt, ook al is ze dan nooit dezelfde. De mens, zie daar, de mens.


Dit bericht is er gekomen n.a.v. de wereldboekendag (23-04-2021). De redactie van Lang zullen we lezen wilde enkele trouwe en actieve gebruikers in de kijker zetten via een artikel met enkele foto’s op de website en in de nieuwsbrief.


[1] De grote vier romans van Maria Rosseels zijn: Ik was een christen – Wacht niet op de morgen – Dood van een non – Elisabeth

Social Distancing

Ze stond in de rij, en schoof aan. Net als de vrouw voor haar, net als de man achter haar. Allemaal op een respectabele afstand, mét mondmasker. Te wachten tot er iemand de winkel verliet, en er dus plaats werd gemaakt voor iemand anders. Maximum vier personen, weet je wel, om de afstand te bewaren.

Ze stond in de rij, en schoof aan. Er werd geen woord gesproken, hoogstens een knikje. Ieder was in zichzelf gekeerd, stond er in zijn of haar eigen bubbel. Te wachten, en aan te schuiven, tot er weer een klant de zaak verliet, en er weer wat kon worden opgeschoven. Stop – start – stop -start – stop –  tot het haar beurt was om te bestellen.

Ze stond in de rij, en schoof aan. Het was mooi weer. Het aanschuiven viel wel mee, ze kon genieten van de ochtendzon. Ze moest denken aan de beelden van toen, in de toenmalige Sovjetunie en de zgn. Oostbloklanden. Dagelijks aanschuiven om eten te kopen, en hopen dat de winkelrekken nog niet leeg waren als het jouw beurt was. Zij, in het Westen, in de Covid-19 pandemie, konden van geluk spreken. Ja, het was aanschuiven, maar dat gebeurde daarvoor ook, zij het dichter op elkaar. Maar er was ruim voldoende. Van schaarste was er in de verste verte geen sprake. Hoe moest het zijn, om niet zeker te zijn de gewenste inkopen te kunnen doen. Hoe moest het zijn om een uur of langer aan te schuiven in de kou? En dan te horen en te zien krijgen dat er niets meer was voor jou? Wat moest je zeggen bij thuiskoms? En hoe zou je je daar bij voelen?

Ze stond in de rij, en schoof aan. Ze dacht aan de discussie rond het woord social distancing. Je mocht niet spreken van social distancing, maar moest volgens sommigen spreken van physical distancing, of nog beter van fysieke afstand – al dat Engels in de Nederlandse taal. Ze vond eerst ook dat social distancing de verkeerde term was. Maar hoe langer ze er over nadacht, hoe meer ze overtuigd raakte dat de term wel correct was – los van de discussie of het wel in het Engels mocht of niet. Mensen spraken niet meer met elkaar, of in ieder geval veel minder. Non verbale communicatie kon je niet meer aflezen uit de gezichten, verborgen als ze waren achter een stuk stof. Hoe zou de vrouw voor haar zich voelen? En de man achter haar? Je kon het natuurlijk nooit weten, ook niet in de tijd voor de maskers. Maar nu kon je geen glimlach meer op je gezicht toveren. Een gelaatsuitdrukking heeft in die omstandigheden geen zin meer. Zullen we dat verleerd zijn, na verloop van tijd, het lezen van een gezicht?

Ze stond in de rij, en schoof aan, in gedachten verzonken. Start – stop – start – stop. En voor ze er erg in had, stond ze in de winkel. Het was haar beurt. In een samenspel van de bakkersvrouw en de winkeljuffrouw werd ze op haar wenken bediend. Wat brood voor morgenvroeg en enkele pistolets voor vandaag. Ze rekende af, en betaalde, uiteraard contactloos, en dacht bij zichzelf: is ook dat een vorm van social distancing?

Echt te doen

Ze had het kerstverhaal al zo dikwijls gehoord. De engelen, de herders die op kraambezoek gaan. Zielig en geromantiseerd tegelijkertijd. Lucas heeft geschreven, en is gebleven. Zijn kerstverhaal is met stip genoteerd. En Matteüs, die andere evangelist? Ze las het verhaal en kwam tot de conclusie dat hij nogal kort van stof was. Slechts een half vers, meer heeft de geboorte van Jezus niet om het lijf: totdat zij een zoon ter wereld bracht; en hij noemde hem Jezus (Mt 1, 25b). Toch was de zwangerschap van Maria blijkbaar geen pretje.

Op het eerste zicht is het ook maar een banaal verhaal dat Matteüs laat vooraf gaan aan de geboorte van Jezus (Mt 1, 18-24), dacht ze. Marie en Jef hebben een relatie. Ze hebben vrij vlug seks, en zijn daarbij wat onvoorzichtig geweest, met alle gevolgen van dien. Marie is zwanger en Jef is daar alles behalve gelukkig mee. Dat er juist nu een kind op komst is, past helemaal niet in het plaatje. Jef denkt eraan zijn verantwoordelijkheid te ontlopen en wil van Marie weggaan. In onze dagen zou Jef waarschijnlijk zeggen: Laat het weghalen, doe een abortus, iets wat Marie juist niet wil. Eigenlijk niets nieuws onder de zon. Een verhaal voor de roddelboekjes, goed voor de achterklap van de mensen. Eigen schuld, dikke bult.

Maar waarom heeft Matteüs het verhaal dan in het begin van zijn evangelie geplaatst? Wat op het eerste zicht banaal lijkt, moet toch meer in zich dragen. Zo niet, dan hoort het niet thuis in de Bijbel, oordeelde ze stellig. Ze las de eerste hoofdstukken van het Matteüs evangelie. Er vielen haar enkele zaken op.

Het verhaal van de zwangerschap van Maria en de geboorte van Jezus volgt onmiddellijk op de stamboom van Jezus. Jezus blijkt niet zo maar iemand te zijn. Een hele rij van voorvaderen moet blijkbaar duidelijk maken dat Jezus thuishoort in de rij van de afstammelingen van Abraham en David. En hoewel je na zo ’n lijst van roemrijke namen zou kunnen denken dat de zwangerschap van Maria en de geboorte van Jezus een evidentie is, kom je op dat vlak van een kale reis thuis, vond ze.

Maria en Jozef zijn verloofd, en bereiden zich voor op het huwelijk. Seks voor het huwelijk is echter niet toegestaan – waar hebben we dat nog gehoord? Voor Maria en Jozef stelt zich dus een probleem. En vooral Jozef ziet zich voor een dilemma geplaatst. Als hij kiest voor Maria en hun kind, dan krijgt zijn imago een flinke deuk. Hij wordt immers gezien als een rechtschapen man, een man naar Gods hart. Maar de zwangerschap van Maria, gooit roet in het eten. Jozef lijkt zijn verantwoordelijkheid te willen ontlopen door er stilletjes vanonder te muizen. Typisch, dacht ze. En dan droomt hij. Een mooie droom? Een nachtmerrie? In ieder geval vertelt het verhaal dat de nacht raad brengt, want Jozef weet ’s morgens wat hem te doen staat. Zijn verantwoordelijkheid ligt duidelijk bij zijn toekomstig gezin. Hij laat Maria niet in de steek, maar blijft bij haar. Maria zal dus niet aan de rand van de samenleving moeten leven. Oef. Hun kind zal dus ook niet in het geheim geboren worden: geen bij voorbaat verstoten kind, maar een wettelijk kind. Twee keer oef. Maar wat doet die Geest daar eigenlijk? Maria is zo maar zwanger geworden? Het zal wel. Wat wilde Matteüs hiermee nu bereiken?

Ze wist dat de toehoorders en lezers van Matteüs bekend waren met de Joodse Bijbel. En dus ook met het eerste scheppingsverhaal dat begint met de ruah (geest) die over de aarde zweefde. En met het tweede scheppingsverhaal waar God de levensadem in de neus van de mens blaast. Misschien wou Matteüs benadrukken dat de zwangerschap van Maria de zegen heeft van God, roddels of niet. Klinkt aannemelijk, vond ze. En de geboorte van een kind vertelt toch over geloof in de toekomst, geloof in het leven. Is dat niet de essentie van het verhaal? Ja! Toch?

Het enthousiasme moest wijken voor de realiteit. Kerstmis, het feest van de vrede. Was het maar zo simpel. De vrede in de wereld is nog veraf, en verre van af. De geschiedenis heeft ons wel geleerd dat het een utopie is, wist ze. Om moedeloos van te worden. En toch, toch wilde ze niet fatalistisch worden. In een hocus pocus God wilde en wil ze niet geloven. Uiteindelijk moeten de mensen het zelf doen. Zo niet, dan gebeurt er niets. En dromen de meeste mensen niet van vrede en geluk? Het moet toch te doen zijn. Plots dacht ze terug aan een jaarthema van de jeugdbeweging, jaren terug. Het jaarthema echt te doen. bevat(te) een dubbele betekenis. Het is te doen, je kan het niet overlaten aan een ander. Maar ook, het is te doen, het is haalbaar. Het was haar altijd bijgebleven. Ze mijmerde nog wat. Kerstmis mag dan wel vertellen over een utopie, over een visioen. Maar wij moeten het wel doen. Tijd om de handen uit de mouwen te steken, want het is écht te doen.

Dit blogbericht is gebaseerd op de commentaar/toelichting die ik gaf op/bij Matteüs 1, 18-25 in het Bronmoment van De Bremstruik, dd. 21-12-2019. Wie graag deze commentaar ontvangt, mag mij gerust contacteren via een reactie hieronder.

Lijstjes

Lijstjes. Ze had er heel wat. Korte, lange, vluchtige, oude, doordachte, toevallige, praktische, …. Een waslijst aan lijstjes.

De vluchtige lijstjes waren de eenvoudigste. Elke week opnieuw ontstond het. Een nieuw papier, een kladje, een stukje om op te schrijven. Het begon met een woord, soms twee. Het bleef een tijdje liggen, zomaar zonder reden. Weggedoken in de la. Niemand die er naar omkeek. Het was immers vluchtig. Tot er weer een woord werd aan toevertrouwd, soms gevolgd door een cijfer of een getal, soms ook niet. Het behoefde geen uitleg. Het was duidelijk waarvoor het diende. Het bleef liggen in de lade, groeide zo nu en dan. Of verminderde. Schrappen gebeurde af en toe. Iets was blijkbaar overbodig geworden, niet meer nodig. Maar dat gebeurde niet vaak. Ook bevatte het lijstje bij tijd een dubbel. Een manier om te benadrukken dat iets echt wel nodig was. Alsof het lijstje belangrijk was. Zou het? Meestal verdween het echter al na een week. Iemand had het meegenomen. Meestal gebeurde dat op het eind van de week. Niemand die er verder nog naar omkeek. Ondertussen ontstond er al een nieuw lijstje, vluchtig.

Oude lijstjes konden haar verrassen. Onbestaand als ze waren, kwamen ze opnieuw tevoorschijn. Ze trokken haar aandacht. Wat was de bedoeling geweest? Wat waren de ingrediënten? Ze riepen het verleden op, voerden haar mee naar vroegere tijden. Vreemd. Een simpel lijstje, aanleiding om weg te zweven in de nevelen van de tijd, de nevelen van haar geheugen. Vreemd, de plekken waar ze verzeild raakte. Wonderbaarlijk hoe eenvoudig de tijdssprong, van het ene moment op en naar het andere. Vijf, tien, zelfs twintig jaar terug in de tijd. En dat allemaal door een stukje papier, met woorden, onder elkaar, zonder verband. Verrassend.

Er waren ook doe-lijstjes. Lijstjes met wat ze wilde doen, wat ze moest doen, nu, in de nabije toekomst, of ooit eens. Ze waren soms lang, soms kort. In ieder geval een opsomming van werkwoorden, woorden die werk verwoordden, woorden die werkten – of soms niet. Niet alles op het lijstje werd zomaar uitgevoerd. Je kunt immers niet alles doen.

Dan waren er ook nog de genummerde. Deze waren dwingender. Nummers gaven immers een volgorde aan. De rangschikking had een doel, bevatte een waardeoordeel over de onderdelen. Nummer één, meestal bovenaan, legde meer gewicht in de schaal dan nummer twee. Nummer twee, meestal als tweede vermeld, legde meer gewicht in de schaal dan nummer drie, enz. De meest frappante lijstjes waren de genummerde met het doel te vergelijken. De rangorde was van essentieel belang. Ze gaven aan wie of wat beter was dan de of het andere. Je had de betere posities en de mindere. De vermelding boven werd gezien als een koppositie. De vermelding onderaan was een minderwaardige – je bengelde immers onderaan. Zo ’n vergelijkend lijstje ging er wel vanuit dat het allemaal hetzelfde betrof. Ging het nu om activiteiten, personen, instellingen, organisaties, acties, noem maar op. Ze bevatten een waardeoordeel. Maar wat vertelden ze tussen de regels?

Lijstjes. Ze hield er van. Ze hielpen haar orde te brengen in de chaos. Structuur. Ze hielpen haar als geheugensteuntje. Ze hielpen haar om de eerste dingen eerst te doen. Ze hielpen haar, ongetwijfeld.

Lijstjes. Evenzeer hield ze er niet van. Ze ontnamen haar immers het gevoel van “niksen mag”. Ieder lijstje had immers een bedoeling, een dwingende gedachte, dacht ze.

Lijstjes. Ze had ze. In allerlei vormen. In allerlei geuren en kleuren. Op allerhande media. Ze had ze, mooi opgelijst, die lijstjes.

De spiegel II

Hij stond voor de grote vlakke spiegel, met een zwart kader er om heen. Hij staarde voor zich uit, recht in de spiegel. Hij stond er voor, maar ook niet. Hij stond immers ook achter de spiegel. Hij staarde, leek er doorheen te kijken. Zag hij wel een spiegelbeeld? Of keek hij ook daar doorheen? Keek hij wel? Hij staarde, voorbij de spiegel, naar dat beeld. Hij staarde, naar dat beeld van hemzelf. Was het zo? Of was hij voorbij de grens, ver weg, ergens in het oneindige?

Hoe dikwijls had hij het zich niet afgevraagd. Klopte het wel? Was hij het wel in de spiegel? En zo ja, was hij het echt? En zo neen, wie was het dan wel? Een alter-ego?

Het was, en is nog steeds, een kwestie van durven, van doen. Hij durfde niet. Neen, hij kon het niet over zijn hart krijgen. Hij wilde niet aangestaard worden, hij wilde niet het mikpunt zijn van spot. Hoe dikwijls wou hij durven? Hoe dikwijls durfde hij niet. De schrik dat hij zou afgewezen worden zat er diep in. Zou hij nog wel meetellen als hij durfde? Durf dan toch! Wat heb je te verliezen? klonk het. Veel, was het wederwoord. Zou hij er nog wel bij horen? Uitgelachen worden was wel het laatste wat hij wou. En wat als mensen hem zouden beledigen. Hij mocht er niet aan denken dat hij zou uitgemaakt worden voor … Ja? Waarvoor?

Hoe dikwijls had hij het niet aangedurfd?

Hij durfde niet. Zij durfde … wel, of toch niet? Neen, ze durfde niet … onmiddellijk. Ze had en heeft tijd nodig. Nog een beetje geduld. Ja, ze wil wel, maar … Och, laat maar, het heeft toch geen zin. Ik durf niet, zei ze.

Aarzeling, twijfel was zijn deel. Aarzeling, twijfel was haar deel. Hij is geen hij. Zij is geen zij. Hij is zij. En zij wil hem achterlaten, want zij wil worden wie hij in wezen is. Heeft ze hem hiervoor nog nodig?

Ze stond voor de grote vlakke spiegel, met een zwart kader er om heen. Ze staarde voor zich uit, recht in de spiegel. Ze stond er voor, maar ook niet. Ze stond immers ook achter de spiegel. Ze staarde, leek er doorheen te kijken. Zag ze wel een spiegelbeeld? Of keek ze ook daar doorheen? Keek ze wel? Ze staarde, voorbij de spiegel, naar dat beeld. Ze staarde, naar dat beeld van haarzelf. Was het zo? Of was zij voorbij de grens, ver weg, ergens in het oneindige?

Ze stond voor de grote vlakke spiegel, met een zwart kader er om heen. Ze staarde voor zich uit, recht in die spiegel. Ze zag een vrouw, getekend door het leven. Ze zag een vrouw, nog hopend op een mooie toekomst. Ze zag een vrouw, eindelijk ontdaan van twijfel en aarzeling, bruisend van zelfvertrouwen. Haar vijand was haar metgezel geworden.

Ze stond voor de grote vlakke spiegel, met een zwart kader er om heen. Ze keek recht in de spiegel,  en wist, dit ben ik. Vol zelfvertrouwen wendde ze zich af. Haar spiegelbeeld achter zich latend.